Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
9 december 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Leeuwarden waarin de aanvrager wegens poging tot zware mishandeling werd ontslagen van alle rechtsvervolging en een maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis werd opgelegd voor de duur van een jaar.
De herzieningsaanvraag baseert zich op een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland waarin het verzoek tot ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis werd gegrond verklaard, mede vanwege nieuwe verklaringen van de geneesheer-directeur, psychiater en psycholoog die de diagnose schizofrenie niet onderschrijven maar spreken van een persoonlijkheidsstoornis zonder gedragsproblemen tijdens opname.
De Hoge Raad overweegt dat deze nieuwe verklaringen niet weerleggen dat de aanvrager ten tijde van het bewezen verklaarde feit leed aan schizofrenie zoals eerder vastgesteld door de deskundigen die het hof heeft geraadpleegd. Het aangevoerde kan geen ernstig vermoeden wekken dat het hof anders zou hebben beslist.
Daarom wordt de aanvraag tot herziening als kennelijk ongegrond afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens gebrek aan ernstig vermoeden dat het hof anders zou hebben beslist.