Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
2 december 2014.
Hoge Raad
De verdachte stelde hoger beroep in tegen een eerdere strafzaak. Het gerechtshof Arnhem oordeelde dat er geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn in de appelfase, omdat het onderzoek ter terechtzitting op 1 februari 2012 was aangevangen, binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep op 10 maart 2010.
De Hoge Raad stelt echter dat, indien de verdachte niet in voorlopige hechtenis is, de redelijke termijn in hoger beroep in beginsel niet mag worden overschreden. De termijn van twee jaar is in dit geval wel overschreden, aangezien het arrest van het hof op 14 november 2012 werd gewezen, ruim na de termijn van twee jaar.
Hierdoor oordeelt de Hoge Raad dat het hof onjuist heeft geoordeeld over de redelijke termijn en vermindert de Hoge Raad de opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, naar zestien maanden en drie weken, eveneens met zes maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verwerpt het beroep voor het overige. De zaak wordt niet terugverwezen, maar door de Hoge Raad zelf afgedaan wegens doelmatigheid.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zestien maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.