Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
2 december 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor schuldwitwassen, meermalen gepleegd, op grond van art. 420quater, eerste lid aanhef en onder b Sr. Het hof had in de bewezenverklaring de woorden die een delictshandeling aanduiden doorgehaald, waardoor geen delictsgedraging was opgenomen. Hierdoor was het bewezenverklaarde onjuist gekwalificeerd.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte het bewezenverklaarde kwalificeerde als schuldwitwassen, omdat de bewezenverklaring geen delictshandeling bevatte. Het middel van de verdachte slaagde daarom.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor zover het betrekking had op het onder 1 subsidiair tenlastegelegde en de strafoplegging, en verwees de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe berechting en beslissing. Het beroep werd voor het overige verworpen.
De zaak betrof diverse geldbedragen en goederen die de verdachte zou hebben verworven, voorhanden gehad of gebruikt, waarvan redelijkerwijs moest worden vermoed dat deze afkomstig waren uit enig misdrijf. De Hoge Raad benadrukte het belang van een correcte bewezenverklaring en kwalificatie in strafzaken.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor het subsidiaire tenlastegelegde en de strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.