Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2014:3342

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 november 2014
Publicatiedatum
20 november 2014
Zaaknummer
14/00243
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslagen inkomstenbelasting

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 december 2013, waarin het hof uitspraak deed over navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikkingen voor de jaren 2004 tot en met 2007.

De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en de conclusie van repliek van belanghebbende. Na beoordeling van de ingediende middelen oordeelde de Hoge Raad dat deze middelen niet tot cassatie konden leiden. De Hoge Raad vond geen noodzaak tot nadere motivering omdat de middelen geen vragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Verder achtte de Hoge Raad geen gronden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Het arrest werd in het openbaar uitgesproken op 21 november 2014 door raadsheren D.G. van Vliet (voorzitter), C.B. Bavinck en P.M.F. van Loon. Vanwege verhindering van de voorzitter werd het arrest ondertekend door C.B. Bavinck.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

21 november 2014
Nr. 14/00243
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 3 december 2013, nrs. 13/00209, 13/00210, 13/00211 en 13/00212, op de hoger beroepen van belanghebbende en de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Oost-Nederland (nrs. AWB 11/2140, 11/2141, 11/2142 en 11/2144) betreffende aan belanghebbende voor de jaren 2004 tot en met 2007 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikkingen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2014.
De voorzitter is verhinderd het arrest te ondertekenen. In verband daarmee is het arrest ondertekend door mr. C.B. Bavinck.