ECLI:NL:HR:2014:334

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 februari 2014
Publicatiedatum
14 februari 2014
Zaaknummer
13/02502
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 34 onder 1 EEX-VoArt. 34 onder 4 EEX-VoVerordening (EG) Nr. 44/2001
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering tenuitvoerlegging Duitse alimentatie- en proceskostenbeslissing op grond van art. 34 EEX-Verordening

De zaak betreft een verzoek tot cassatie door de man tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag die de tenuitvoerlegging van een Duitse alimentatiebeslissing en een Duitse proceskostenbeslissing weigerde. De weigering was gebaseerd op artikel 34 onder Pro 1 en onder 4 van de EEX-Verordening (Verordening (EG) Nr. 44/2001).

De Hoge Raad verwijst naar de beschikking van de rechtbank van 21 februari 2013 voor het geding in feitelijke instantie en behandelt in cassatie de klachten van de man. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 lid 1 RO Pro.

De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie en dat nadere motivering niet nodig is omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee de weigering tot tenuitvoerlegging van de Duitse beslissingen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de weigering tot tenuitvoerlegging van de Duitse beslissingen blijft in stand.

Uitspraak

14 februari 2014
Eerste Kamer
nr. 13/02502
EV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. R. Dhalganjansing,
t e g e n
[de vrouw],
wonende te [woonplaats], Duitsland,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak met nummers C/09/430158/HA RK 12-649 en C/09/430654/HA RK 12-662 van de rechtbank Den Haag van 21 februari 2013.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
De advocaat van de man heeft bij brief van 3 januari 2014 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. Drion en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
14 februari 2014.