ECLI:NL:HR:2014:3294

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2014
Publicatiedatum
18 november 2014
Zaaknummer
13/02466
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 SvArt. 511h Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring in cassatie wegens niet tijdig indienen middelen

De betrokkene heeft cassatieberoep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Echter zijn er geen middelen van cassatie tijdig door een raadsman ingediend bij de Hoge Raad, wat een vereiste is volgens de wet.

De Advocaat-Generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene. De Hoge Raad oordeelde dat het niet voldoen aan het voorschrift van artikel 437, tweede lid, in verbinding met artikel 511h Sv, betekent dat de betrokkene niet kan worden ontvangen in het beroep.

Daarom verklaarde de Hoge Raad de betrokkene niet-ontvankelijk in het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting.

Uitkomst: De betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.

Uitspraak

18 november 2014
Strafkamer
nr. 13/02466 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 november 2012, nummer 20/000534-12, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 november 2014.