ECLI:NL:HR:2014:325

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 februari 2014
Publicatiedatum
13 februari 2014
Zaaknummer
13/00489
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:157 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad oordeelt over grenzen rechtsstrijd bij vaststelling partneralimentatie

De man en vrouw waren van augustus 2000 tot februari 2009 gehuwd en vervolgens gescheiden. De rechtbank stelde in april 2010 partneralimentatie vast op € 2.300 per maand vanaf 5 februari 2009. De man verzocht om wijziging van deze alimentatie met terugwerkende kracht.

De rechtbank wijzigde de alimentatie naar € 1.410 per maand. In hoger beroep verzocht de man om een verdere verlaging naar € 1.050 per maand voor de periode van 5 februari 2009 tot 1 januari 2011. Het hof stelde de alimentatie voor de periode tot 8 oktober 2010 vast op € 1.050, maar wees het verzoek af voor de periode van 9 oktober 2010 tot 1 januari 2011.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd was getreden door de alimentatie voor die periode te wijzigen zonder dat de vrouw daartegen beroep had ingesteld. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor dat onderdeel en stelde zelf de alimentatie voor de periode van 9 oktober 2010 tot 1 januari 2011 vast op € 1.410 per maand.

Hiermee benadrukt de Hoge Raad het verbod van reformatio in peius en de grenzen van de rechtsstrijd bij alimentatiezaken, waarbij een wijziging niet ten nadele van een partij mag plaatsvinden zonder dat die partij hiertegen in beroep is gegaan.

Uitkomst: De Hoge Raad stelt de partneralimentatie voor de periode 9 oktober 2010 tot 1 januari 2011 vast op € 1.410 per maand.

Uitspraak

14 februari 2014
Eerste Kamer
nr. 13/00489
EV/LH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. S. Kousedghi,
t e g e n
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 483442/FA RK 11-1526 van de rechtbank Amsterdam van 14 december 2011;
b. de beschikking in de zaak 200.103.550/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 30 oktober 2012.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest isaan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot vernietiging.

3.Beoordeling van het middel

3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De man en de vrouw zijn van augustus 2000 tot 5 februari 2009 gehuwd geweest. Het huwelijk is door echtscheiding ontbonden.
(ii) Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 7 april 2010 is een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald van € 2.300,-- per maand met ingang van 5 februari 2009.
3.2.1
In de onderhavige procedure heeft de man verzocht met wijziging van de beschikking van 7 april 2010 de partneralimentatie met ingang van 5 februari 2009 op nihil te stellen. De rechtbank heeft de beschikking van 7 april 2010 gewijzigd en de partneralimentatie bepaald op € 1.410,-- met ingang van 5 februari 2009.
3.2.2
De man is van deze beschikking in hoger beroep gekomen en heeft onder meer verzocht de partneralimentatie in de periode van 5 februari 2009 tot 1 januari 2011 vast te stellen op € 1.050,-- per maand.
De vrouw heeft verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.
3.2.3
Het hof heeft, in verband met de door de man betaalde lasten met betrekking tot de echtelijke woning in de periode tot aan de overdracht van de woning aan derden op 8 oktober 2010, de partneralimentatie in de periode vanaf 5 februari 2009 tot en met 8 oktober 2010 bepaald op € 1.050,-- per maand (rov. 4.2). In rov. 4.6 oordeelde het hof:
“4.6 Over de periode 9 oktober 2010 tot 1 januari 2011 heeft de man geen lasten met betrekking tot de echtelijke woning te betalen, zodat het hof het verzoek van de man tot wijziging van de (…) partneralimentatie in die periode zal afwijzen.”
Het dictum luidt, voor zover in cassatie van belang:
“Het hof:
vernietigt de beschikking van 14 december 2011 van de rechtbank Amsterdam en stelt de verschuldigde (…) partneralimentatie in de hierna genoemde perioden vast op de daarachter vermelde bedragen, (…):
(…)
b. in de periode 9 oktober 2010 tot 1 januari 2011:
wijst af de inleidende verzoeken van de man tot wijziging van de beschikkingen van de rechtbank van (…) 7 april 2010 (partneralimentatie).”
3.3
Het middel klaagt terecht dat het hof met zijn beslissing over de periode van 9 oktober 2010 tot 1 januari 2011 buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Nu het hof met betrekking tot die periode de grieven van de man had verworpen, en de vrouw geen (incidenteel) beroep had ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank waarbij de alimentatie op € 1.410,-- per maand was gesteld, mocht het hof die beschikking niet mede ten aanzien van genoemde periode vernietigen en het inleidend verzoek in zoverre alsnog afwijzen, met als gevolg dat de alimentatie in genoemde periode krachtens de beschikking van 7 april 2010 bepaald bleef op € 2.300,-- per maand.
3.4
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door als volgt te beslissen.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 30 oktober 2012, doch uitsluitend ten aanzien van het dictum onder b, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt met wijziging van de beschikking van de rechtbank van 7 april 2010 de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie in de periode van 9 oktober 2010 tot 1 januari 2011 op € 1.410,-- per maand.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheer C.A. Streefkerk, als voorzitter, en de raadsheren G. Snijders en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
14 februari 2014.