Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
4 november 2014.
Hoge Raad
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij was veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden. De Advocaat-Generaal adviseerde tot vernietiging van het arrest voor wat betreft de strafduur en vermindering daarvan, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatiemiddel niet tot cassatie kon leiden, maar stelde ambtshalve vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, omdat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Als gevolg daarvan werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd van twaalf maanden naar tien maanden en drie weken. Het beroep werd voor het overige verworpen en het arrest van het hof werd vernietigd voor wat betreft de strafduur.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 4 november 2014.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd van twaalf maanden naar tien maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.