Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
4 november 2014.
Hoge Raad
In deze zaak stond het beroep in cassatie van verdachte centraal die was veroordeeld voor het opzettelijk beledigen van H.M. Beatrix, Koningin der Nederlanden, en leden van haar familie tijdens Prinsjesdag 2010. De verdachte had een glazen waxinelichthouder gegooid in de richting van de Gouden Koets, terwijl hij beledigende woorden zoals "Oplichters", "Dieven", "Nazi's" en "Verraders" riep.
Het hof had geoordeeld dat het gooien van de waxinelichthouder op zichzelf niet als belediging moest worden aangemerkt, maar dat in samenhang met de uitlatingen het geheel wel als opzettelijke belediging viel te kwalificeren. De verdachte voerde aan dat zijn uitingen slechts confronterende kritiek waren en dat hij eerder een aanklacht had ingediend, waardoor de uitlatingen feitelijk juist waren en niet beledigend.
De Hoge Raad verwierp dit verweer en bevestigde het oordeel van het hof dat de combinatie van het gooien van het voorwerp en de beledigende woorden onmiskenbaar een beledigend karakter heeft en gericht was tegen de inzittenden van de Gouden Koets. Het middel ontbeerde feitelijke grondslag en werd verworpen, waarmee het arrest van het hof werd bekrachtigd.
De uitspraak verduidelijkt de uitleg van de delictsbestanddelen van de artikelen 111 en 112 van het Wetboek van Strafrecht omtrent belediging van de Koning en zijn familie, waarbij ook handelingen in combinatie met uitlatingen in aanmerking worden genomen.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt dat het gooien van een waxinelichthouder met beledigende uitlatingen richting de Gouden Koets als opzettelijke belediging geldt.