Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
28 oktober 2014.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 16 augustus 2012. Namens de verdachte heeft mr. G.J. Woodrow middelen van cassatie voorgesteld. De Advocaat-Generaal heeft schriftelijk geadviseerd het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).
De Hoge Raad heeft vervolgens de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Op basis van artikel 80a RO en na gehoord te hebben de Procureur-Generaal, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is uitgesproken op 28 oktober 2014 door de Strafkamer van de Hoge Raad, bestaande uit vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter en raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a RO.