ECLI:NL:HR:2014:3049

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 oktober 2014
Publicatiedatum
28 oktober 2014
Zaaknummer
14/03048
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • A.J.A. van Dorst
  • J.P. Balkema
  • J.W. Ilsink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 457 SvArt. 460 SvArt. 465 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk in zaak Opiumwet

De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage uit 2007, waarin de aanvrager was veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien maanden wegens opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet.

De aanvraag tot herziening werd ingediend met het argument dat er gebreken waren in de dagvaardings- en oproepingsprocedure in eerste aanleg en hoger beroep. De Hoge Raad oordeelde dat dergelijke procedurele gebreken, indien juist, slechts tot nietigverklaring van de dagvaarding of oproeping zouden kunnen leiden, maar niet tot de in artikel 457 Sv Pro genoemde gronden voor herziening zoals vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of toepassing van een lichtere straf.

Omdat de aanvraag geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatte die het ernstige vermoeden wekten dat het onderzoek tot een andere uitkomst had kunnen leiden, kon de Hoge Raad de aanvraag niet ontvankelijk verklaren. De Hoge Raad wees de aanvraag daarom af en verklaarde deze niet-ontvankelijk.

Het arrest werd gewezen door vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter en raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, waarbij laatstgenoemden niet in staat waren het arrest te ondertekenen.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van nieuwe feiten die tot een andere uitkomst hadden kunnen leiden.

Uitspraak

28 oktober 2014
Strafkamer
nr. 14/03048 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 juli 2007, nummer 22/007420-05, ingediend door mr. J.P. de Man, advocaat te Rosmalen, namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank 's-Gravenhage van 12 december 2005 - de aanvrager ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien maanden.

2.De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3.Beoordeling van de aanvraag

3.1.
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv Pro slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.2.
Hetgeen in de aanvraag wordt aangevoerd, berust naar de kern genomen op de stelling dat er gebreken kleven aan de wijze waarop de aanvrager is gedagvaard en/of is opgeroepen voor de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep. Dergelijke gebreken, indien feitelijk juist, hadden echter uitsluitend kunnen leiden tot nietigverklaring van bedoelde dagvaarding onderscheidenlijk oproeping maar niet tot een van de in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv genoemde beslissingen.
3.3.
Het in de aanvraag gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op een gegeven als hiervoor onder 3.1 vermeld. De aanvraag kan daarom gelet – gelet op art. 460, tweede lid, en 465, eerste lid, Sv – niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
28 oktober 2014.
Mr. Balkema en mr. Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.