ECLI:NL:HR:2014:3043

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 oktober 2014
Publicatiedatum
28 oktober 2014
Zaaknummer
13/02180
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 68 SrArt. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 258 SvArt. 434 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep ne bis in idem bij gelijktijdige dagvaardingen voor hetzelfde feit

De verdachte werd voor hetzelfde feit, een overtreding van art. 5 Wegenverkeerswet Pro 1994 gepleegd op 2 september 2011 te Utrecht, tweemaal gedagvaard: eerst voor de Rechtbank en later voor de Kantonrechter. Het Hof verklaarde het tenlastegelegde bewezen en veroordeelde de verdachte tot een maand hechtenis en ontzegging van de rijbevoegdheid voor een jaar. De Kantonrechter veroordeelde de verdachte bij verstek tot een geldboete en een voorwaardelijke ontzegging.

De verdachte stelde in cassatie dat het Hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk had moeten verklaren op grond van het ne bis in idem-beginsel (art. 68 Sr Pro) omdat hij reeds onherroepelijk was veroordeeld voor hetzelfde feit. De Hoge Raad oordeelde dat art. 68 Sr Pro alleen ziet op onherroepelijke uitspraken. Omdat de uitspraak van de Kantonrechter ten tijde van het arrest van het Hof nog niet onherroepelijk was, was het beroep ongegrond.

De Hoge Raad benadrukte dat het systeem van het Wetboek van Strafvordering vereist dat het OM zich onthoudt van een tweede dagvaarding voor hetzelfde feit zolang de eerste zaak nog niet onherroepelijk is beslist. In deze zaak was de dagvaarding van het Hof eerder uitgebracht dan die van de Kantonrechter, waardoor geen sprake was van een onrechtmatige vervolging.

Het beroep werd daarom verworpen en de eerdere jurisprudentie werd bevestigd, waarbij ook het onderscheid met een eerdere zaak uit 1995 werd toegelicht waarin verkeerde informatie aan de politierechter en verdachte leidde tot een andere uitkomst.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt dat het ne bis in idem-beginsel pas geldt na een onherroepelijke uitspraak.

Uitspraak

28 oktober 2014
Strafkamer
nr. 13/02180
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 11 april 2013, nummer 21/004551-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde feit, in zoverre tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in zijn vervolging en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel klaagt dat art. 68 Sr Pro is geschonden op de grond dat de verdachte ter zake van hetzelfde feit reeds onherroepelijk is veroordeeld.
2.2.
Gelet op de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken en op de door de Advocaat-Generaal ingewonnen inlichtingen zoals weergegeven in zijn conclusie onder 4.5 – 4.7 moet in cassatie van het volgende worden uitgegaan.
De verdachte is in de onderhavige strafzaak gedagvaard voor de terechtzitting van de Rechtbank van 31 oktober 2011 ter zake van – kort gezegd - overtreding van art. 5 Wegenverkeerswet Pro 1994, gepleegd op 2 september 2011 te Utrecht.
Nadien is de verdachte gedagvaard voor de terechtzitting van de Kantonrechter in de Rechtbank Utrecht van 8 augustus 2012 ter zake van overtreding van art. 5 Wegenverkeerswet Pro 1994, eveneens gepleegd op 2 september 2011 te Utrecht.
In de onderhavige strafzaak heeft het Hof bij arrest van 11 april 2013 het tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte ter zake daarvan veroordeeld tot hechtenis voor de duur van een maand en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van een jaar.
In de andere strafzaak heeft de Kantonrechter het tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte ter zake daarvan bij verstek veroordeeld tot een geldboete van € 550,-, subsidiair 11 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden. Het door de verdachte tegen dit vonnis van de Kantonrechter op 24 april 2013 ingestelde hoger beroep is door hem ingetrokken op 6 februari 2014, dus nadat het Hof in de onderhavige strafzaak uitspraak had gedaan.
2.3.
Voor zover het middel betoogt dat het Hof op grond van art. 68 Sr Pro het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk had moeten verklaren in zijn vervolging, miskent het dat art. 68 Sr Pro betrekking heeft op onherroepelijke uitspraken. De uitspraak van de Kantonrechter van 8 augustus 2012 was nog niet onherroepelijk ten tijde van het arrest van het Hof in de onderhavige strafzaak. Dat die uitspraak nadien onherroepelijk is geworden, zou aanleiding kunnen zijn tot het aanvragen van herziening van die uitspraak.
2.4.1.
Voorts moet worden vooropgesteld dat ingevolge het systeem van de in het Wetboek van Strafvordering vervatte regeling betreffende de procesgang in beginsel de regel geldt dat, vóórdat op de grondslag van een inleidende dagvaarding onherroepelijk is beslist, de officier van justitie zich behoort te onthouden van het doen uitgaan van een tweede dagvaarding ter zake van hetzelfde feit. Ingevolge het eerste lid van art. 258 Sv Pro neemt het rechtsgeding immers een aanvang zodra de officier van justitie de inleidende dagvaarding doet uitgaan en het zou niet stroken met dit systeem indien de verdachte ter zake van hetzelfde feit andermaal zou worden vervolgd zolang op de eerste dagvaarding nog niet onherroepelijk is beslist (vgl. HR 7 mei 1985, NJ 1985/842, rov. 5.2.1).
2.4.2.
Voor zover het middel berust op de opvatting dat de Officier van Justitie in de onderhavige strafzaak niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging op de grond dat hij de verdachte voor hetzelfde feit tweemaal heeft gedagvaard, miskent het dat de dagvaarding in de onderhavige strafzaak is uitgebracht vóór de dagvaarding in de andere strafzaak.
2.5.
Opmerking verdient nog dat de onderhavige zaak verschilt van de zaak die aan de orde was in HR 14 februari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9966, NJ 1995/406, doordat in die zaak – kort gezegd – zowel de verdachte als de politierechter ter terechtzitting door het openbaar ministerie verkeerd waren ingelicht over de intrekking van de tweede dagvaarding.
2.6.
Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
28 oktober 2014.