Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
5.Beslissing
11 februari 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin hij werd veroordeeld voor het opzettelijk onttrekken van zijn minderjarige kinderen aan het wettig gezag, door hen zonder toestemming van de moeder mee te nemen naar het buitenland.
Het hof stelde vast dat verdachte en zijn echtgenote gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenden over de minderjarige kinderen, gelet op hun huwelijk en de wettelijke regeling in art. 1:251 BW Pro. De bewezenverklaring omvatte onder meer bedreigingen, het gebruik van list en het vasthouden van de kinderen in een afgesloten auto, wat de ernst van het feit onderstreepte.
De Hoge Raad oordeelde dat voor een veroordeling op grond van art. 279 Sr Pro niet vereist is dat degene aan wie het gezag wordt onttrokken het exclusieve gezag heeft. Het gezamenlijk gezag betekent dat ook medeouder verdachte zich schuldig kan maken aan onttrekking. Het beroep werd verworpen en de redelijke termijn werd overschreden, maar zonder rechtsgevolgen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor onttrekking van minderjarige kinderen aan het wettig gezag.