ECLI:NL:HR:2014:3018

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 oktober 2014
Publicatiedatum
23 oktober 2014
Zaaknummer
13/06122
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond in belastingzaak 2003

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 22 oktober 2013, waarin het hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank te ’s-Gravenhage werd behandeld over een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2003.

De Hoge Raad ontving drie middelen van belanghebbende en een verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën. Na beoordeling concludeerde de Hoge Raad dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was op grond van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Verder oordeelde de Hoge Raad dat er geen aanleiding was om proceskosten toe te wijzen. Het arrest werd gewezen door de vice-president Overgaauw en raadsheren Bavinck en Van Loon en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2014.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

24 oktober 2014
nr. 13/06122
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 22 oktober 2013, nr. BK-11/00760, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te ‘s-Gravenhage (nr. AWB 09/8615) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2003 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij drie middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2014.