Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 22 oktober 2013, waarin het hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank te ’s-Gravenhage werd behandeld over een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2003.
De Hoge Raad ontving drie middelen van belanghebbende en een verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën. Na beoordeling concludeerde de Hoge Raad dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was op grond van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat er geen aanleiding was om proceskosten toe te wijzen. Het arrest werd gewezen door de vice-president Overgaauw en raadsheren Bavinck en Van Loon en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2014.