Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
11 februari 2014.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie behandeld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem. De verdachte was in voorlopige hechtenis en de opgelegde gevangenisstraf bedroeg elf jaren. De advocaat-generaal adviseerde tot vernietiging van het arrest voor wat betreft de strafduur en vermindering daarvan.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel van cassatie niet tot cassatie kon leiden, maar constateerde ambtshalve dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de strafduur.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en stelde deze vast op tien jaren en tien maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. Het arrest werd uitgesproken op 11 februari 2014 door drie raadsheren onder voorzitterschap van B.C. de Savornin Lohman.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van elf jaren naar tien jaren en tien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.