ECLI:NL:HR:2014:2975

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 oktober 2014
Publicatiedatum
15 oktober 2014
Zaaknummer
12/02859
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toepassing strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn in samenhangende strafzaak

De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het beroep is ingesteld door betrokkene en behandeld door de Hoge Raad op 14 oktober 2014.

De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Desondanks leidt deze termijnoverschrijding niet tot cassatie, mede omdat in de samenhangende strafzaak, die eveneens in cassatie is, dezelfde termijnoverschrijding is vastgesteld.

De Hoge Raad oordeelt dat de compensatie die voortvloeit uit de overschrijding van de redelijke termijn in de hoofdzaak kan worden toegepast. Er is daarom geen aanleiding om aan het oordeel over de termijnoverschrijding in deze zaak een rechtsgevolg te verbinden. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegepast in de samenhangende strafzaak.

Uitspraak

14 oktober 2014
Strafkamer
nr. 12/02859 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden, zitting houdende te Arnhem, van 22 maart 2012, nummer 24/002110-09, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

3.1.
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak, welke in cassatie aanhangig is onder nr. 13/03710, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. De compensatie tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, kan worden toegepast in de hoofdzaak.
3.2.
Gelet hierop is er geen aanleiding om in de onderhavige zaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 oktober 2014.