Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
14 oktober 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het beroep is ingesteld door betrokkene en behandeld door de Hoge Raad op 14 oktober 2014.
De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Desondanks leidt deze termijnoverschrijding niet tot cassatie, mede omdat in de samenhangende strafzaak, die eveneens in cassatie is, dezelfde termijnoverschrijding is vastgesteld.
De Hoge Raad oordeelt dat de compensatie die voortvloeit uit de overschrijding van de redelijke termijn in de hoofdzaak kan worden toegepast. Er is daarom geen aanleiding om aan het oordeel over de termijnoverschrijding in deze zaak een rechtsgevolg te verbinden. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegepast in de samenhangende strafzaak.