Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Slotsom
4.Beslissing
14 oktober 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor het tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk telen van circa 717 hennepplanten in een pand te Kaatsheuvel. Het bewijs bestond uit uitgebreide proces-verbalen van politieonderzoek, waaronder een gedetailleerde beschrijving van de hennepkwekerij in meerdere ruimten, verhoren van verdachte en medeverdachte, en verklaringen over de inrichting en exploitatie van de kwekerij.
Het hof oordeelde dat verdachte medepleger was, omdat zij niet had verhinderd dat haar echtgenoot de kwekerij opzette en exploiteerde en zij mede profiteerde van de opbrengst, ondanks dat zij zelf geen telingshandelingen verrichtte en niet in de kweekruimtes was geweest.
De Hoge Raad stelt echter dat de feiten en omstandigheden onvoldoende grond bieden voor het oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van het telen van hennep. De bewezenverklaring is ontoereikend gemotiveerd en het hof heeft nagelaten een bewuste, nauwe en volledige samenwerking vast te stellen die vereist is voor medeplegen.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling in het bestaande hoger beroep. De overige middelen behoeven geen bespreking.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs voor medeplegen en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.