Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
7 oktober 2014.
Hoge Raad
In deze zaak heeft verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. De advocaat van verdachte heeft een middel van cassatie voorgesteld. De Advocaat-Generaal heeft geadviseerd het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft het beroep beoordeeld en geoordeeld dat de klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Op basis hiervan en na gehoord te hebben de Procureur-Generaal, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang of onvoldoende gronden.