ECLI:NL:HR:2014:2938

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 oktober 2014
Publicatiedatum
13 oktober 2014
Zaaknummer
13/04206
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake inhouding dividendbelasting

Belanghebbende, een bedrijf gevestigd in Cyprus, stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 juli 2013. Dit arrest betrof het hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Breda over de inhouding van dividendbelasting.

In cassatie werden vier middelen voorgesteld door belanghebbende, waarop de Staatssecretaris van Financiën een verweerschrift indiende en belanghebbende een conclusie van repliek. De Hoge Raad oordeelde dat geen van de middelen aanleiding gaf tot cassatie, mede omdat de gronden niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaak gaven.

De Hoge Raad besloot daarom het beroep in cassatie ongegrond te verklaren en zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2014.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

10 oktober 2014
nr. 13/04206
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] Co. Ltd.te
[Z], Cyprus (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 23 juli 2013, nr. 12/00195, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda (nr. AWB 10/4824) betreffende de inhouding van dividendbelasting.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij vier middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2014.