Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tot herziening van het arrest van de
Hoge Raad der Nederlandenvan 14 februari 2014, nr. 13/05425.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft bij de Hoge Raad een verzoek tot herziening ingediend van een eerder arrest van 14 februari 2014. De griffier heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. Dit griffierecht is echter niet voldaan.
Na het niet voldoen van het griffierecht heeft de griffier belanghebbende nogmaals de gelegenheid gegeven om redenen voor de termijnoverschrijding te melden, maar belanghebbende heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Eerder aangevoerde gronden door belanghebbende werden niet als voldoende geacht om het verzuim te rechtvaardigen.
Op grond van de toepasselijke artikelen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verklaart de Hoge Raad het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Het arrest is uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 26 september 2014.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van griffierecht.