ECLI:NL:HR:2014:2788

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 september 2014
Publicatiedatum
25 september 2014
Zaaknummer
14/00952
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 8:119 lid 1 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart verzoek tot herziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken nieuwe feiten

De Hoge Raad behandelde een verzoek tot herziening van het arrest van 19 april 2013. Het verzoek werd ingediend door belanghebbende en betrof een zaak die eerder door de Hoge Raad was beslist onder nummer 12/04807.

De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het verzoek en concludeerde dat het verzoek geen behandeling in cassatie rechtvaardigde. Dit omdat het verzoekschrift geen feiten of omstandigheden bevatte zoals vereist in artikel 8:119, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht, die aanleiding zouden kunnen geven tot herziening van het eerdere arrest.

Gezien het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden verklaarde de Hoge Raad, op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal, het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk. Het arrest werd in het openbaar uitgesproken op 26 september 2014 door raadsheren P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra en J. Wortel.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

26 september 2014
Nr. 14/00952
Arrest
gewezen op het verzoek van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tot herziening van het arrest van de
Hoge Raad der Nederlandenvan 19 april 2013, nr. 12/04807, ECLI:NL:HR:2013:BZ8084.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek tot herziening

De Hoge Raad is van oordeel dat het ingediende verzoek geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat het klaarblijkelijk niet tot herziening van voormeld arrest en derhalve niet tot cassatie kan leiden, aangezien het verzoekschrift geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, lid 1, van de Awb behelst.
De Hoge Raad zal daarom – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het verzoek niet-ontvankelijk verklaren.

2.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het verzoek tot herziening niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.M.F. van Loon als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgespro26 september 2014.