ECLI:NL:HR:2014:276

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 februari 2014
Publicatiedatum
10 februari 2014
Zaaknummer
13/00407
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene Kinderbijslagwet
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak Centrale Raad van Beroep inzake Algemene Kinderbijslagwet

In deze zaak stonden cassatieberoepen van belanghebbende en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) centraal tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 december 2012, betreffende besluiten op grond van de Algemene Kinderbijslagwet. Beide partijen hadden hun beroepschriften en verweerschriften ingediend, waarna de Advocaat-Generaal op 27 augustus 2013 concludeerde tot ongegrondverklaring van het beroep van belanghebbende en gegrondverklaring van dat van de SVB, met vernietiging van de uitspraak van de Centrale Raad en bevestiging van de rechtbankuitspraken.

De Hoge Raad heeft het door de SVB voorgestelde middel beoordeeld en verworpen op basis van de gronden vermeld in een gelijktijdig gewezen arrest (zaaknummer 13/00409). Ook het middel van belanghebbende faalde op dezelfde gronden. De Hoge Raad heeft vervolgens de cassatieberoepen ongegrond verklaard.

Ten aanzien van de proceskosten werd de SVB veroordeeld tot betaling van een derde van de kosten van het cassatiegeding, vastgesteld op €1095,75, terwijl belanghebbende niet in de proceskosten werd veroordeeld. Tevens werd een griffierecht van €466 geheven van de SVB.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, samen met raadsheren Schaap, van Loon, Fierstra en Groeneveld, op 14 februari 2014.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de cassatieberoepen ongegrond en bevestigt de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep.

Uitspraak

14 februari 2014
nr. 13/00407
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X1]te
[Z](hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van
de Sociale verzekeringsbank(hierna: de SVB) tegen de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroepvan 17 december 2012, nr. 09/5380 AKW en 11/948 AKW, op de hoger beroepen van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank te Amsterdam (nr. AWB 08/3165 AKW en nr. AWB 10/902 AKW) betreffende besluiten ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet. De uitspraak van de Centrale Raad is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Zowel belanghebbende als de SVB heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de SVB hebben over en weer een verweerschrift ingediend.
Zowel belanghebbende als de SVB heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende en de SVB hebben over en weer een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 27 augustus 2013 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie van belanghebbende en tot gegrondverklaring van dat van de SVB, vernietiging van de uitspraak van de Centrale Raad en bevestiging van de uitspraken van de Rechtbank met aanvulling van de gronden.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het door de SVB voorgestelde middel

Het middel faalt op de gronden die zijn vermeld in onderdeel 4 van het heden in de zaak met nummer 13/00409 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

3.Beoordeling van het door belanghebbende voorgestelde middel

Het middel faalt op de gronden die zijn vermeld in onderdeel 5 van het heden in de zaak met nummer 13/00409 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

4.Proceskosten

Wat betreft het cassatieberoep van de SVB zal de SVB worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met de nummers 13/00409 en 13/00410 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Wat betreft het cassatieberoep van belanghebbende acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart de beroepen in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Sociale verzekeringsbank in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een derde van € 3287,25, derhalve € 1095,75, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2014.
Van de Sociale verzekeringsbank wordt een griffierecht geheven van € 466.