ECLI:NL:HR:2014:2747

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 september 2014
Publicatiedatum
22 september 2014
Zaaknummer
13/04394
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt overschrijding redelijke termijn in cassatie zonder gevolgen

De Hoge Raad heeft op 16 september 2014 uitspraak gedaan in een cassatiezaak tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De verdachte was veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het cassatieberoep werd ingesteld door de verdachte en behandeld door de Hoge Raad.

In het oordeel over het achtste middel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, in de cassatiefase was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad constateerde dat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.

Ondanks deze overschrijding zag de Hoge Raad, gelet op de aard van de opgelegde straf en de mate van overschrijding, geen aanleiding om aan dit oordeel rechtsgevolgen te verbinden. De overige middelen werden verworpen zonder nadere motivering, omdat zij geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad heeft het beroep uiteindelijk verworpen en het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling ondanks overschrijding van de redelijke termijn en verwerpt het cassatieberoep.

Uitspraak

16 september 2014
Strafkamer
nr. 13/04394 E
Hoge raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 februari 2012, nummer 22/004383-05, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. H.E. Brink en mr. A.W.J. van Galen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het achtste middel

2.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
2.2.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Gelet op de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

3.Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 september 2014.