Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
9 september 2014.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd bewezenverklaard van het opzettelijk aanwezig hebben van 776 hennepplanten in een pand te Zeewolde.
De verdediging had in hoger beroep vrijspraak bepleit en betoogde onder meer dat het bewijs onrechtmatig was verkregen en dat het proces-verbaal onjuiste feiten bevatte. Het hof had echter volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van verdachte zelf en proces-verbalen van verbalisanten.
De Hoge Raad oordeelde dat artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat een opgave van bewijsmiddelen toestaat indien de verdachte het bewezenverklaarde bekent, niet van toepassing is wanneer de raadsman vrijspraak pleit. Desondanks bevatte het arrest voldoende redengevende feiten en een opgave van wettige bewijsmiddelen die de bewezenverklaring ondersteunen.
Het cassatieberoep werd daarom verworpen. De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van art. 359 lid 3 Sv Pro en benadrukt dat een opgave van bewijsmiddelen volstaat mits de verdachte niet anders verklaart of vrijspraak wordt bepleit.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de bewezenverklaring van het bezit van 776 hennepplanten blijft gehandhaafd.