Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
2 september 2014.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde een aanvraag tot herziening van een ontnemingsuitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, waarbij aanvrager was veroordeeld tot betaling van een bedrag van €278.276 aan de Staat.
De aanvraag tot herziening werd beoordeeld aan de hand van de toepasselijke strafvorderlijke bepalingen. De Hoge Raad oordeelde dat de oplegging van een ontnemingsmaatregel niet gelijkstaat aan een veroordeling in de zin van artikel 457, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Daarom kon de aanvraag tot herziening niet worden ontvangen op grond van artikel 465, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. De Hoge Raad verklaarde de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk en wees de aanvraag af.
Het arrest werd gewezen door de vice-president van Dorst als voorzitter en de raadsheren Balkema en Ilsink, waarbij laatstgenoemden het arrest niet ondertekenden.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een veroordeling in de zin van art. 457 Sv.