Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Gravenhagevan 3 oktober 2012, nr. BK-12/00147, betreffende een beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990.
Hoge Raad
Belanghebbende werd door de ontvanger aansprakelijk gesteld op grond van artikel 36 Invorderingswet Pro 1990 voor naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2004 tot en met 2006. Na bezwaar en een uitspraak van de ontvanger die de beschikking handhaafde, werd het beroep bij de rechtbank 's-Gravenhage ongegrond verklaard. Het hof bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad en voerde meerdere klachten aan tegen de uitspraak van het hof. De staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in, en belanghebbende een conclusie van repliek.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Daarnaast wees de Hoge Raad een veroordeling in proceskosten af.
Het arrest werd gewezen door de vice-president Overgaauw als voorzitter en raadsheren Van Vliet en Punt, en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2014.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de aansprakelijkstelling.