Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
26 augustus 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een veroordeelde tegen een beslissing van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake de toewijzing van een vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De Rechtbank Limburg had deze vordering eerder toegewezen. Volgens artikel 15f, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht staat tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Tevens volgt uit deze bepaling dat tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het Hof in het hoger beroep geen cassatieberoep openstaat.
De advocaat van de veroordeelde heeft een middel van cassatie ingediend, maar de Advocaat-Generaal heeft geadviseerd het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van het Wetboek van Rechtsvordering. De Hoge Raad heeft dit advies gevolgd en de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep.
De beslissing is genomen door de Strafkamer van de Hoge Raad op 26 augustus 2014, waarbij de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter en raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink aanwezig waren. Hiermee is het cassatieberoep definitief afgewezen wegens gebrek aan ontvankelijkheid.
Uitkomst: De veroordeelde is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep tegen de beslissing tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling.