Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 januari 2013, waarin het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de rechtbank Breda over aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2005 tot en met 2007 was behandeld.
De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en een conclusie van repliek van belanghebbende. Na beoordeling van de ingediende klachten oordeelde de Hoge Raad dat deze klachten niet tot cassatie konden leiden. Dit oordeel werd gegeven zonder nadere motivering, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Daarnaast achtte de Hoge Raad geen gronden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Het arrest werd gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter en de raadsheren P.M.F. van Loon en Th. Groeneveld, en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2014.