Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
4 februari 2014.
Hoge Raad
De verdachte, geboren in 1986, heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 24 mei 2012 in een strafzaak. Namens de verdachte heeft mr. W.H. Jebbink middelen van cassatie voorgesteld. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, waarop de raadsman schriftelijk heeft gereageerd.
De Hoge Raad heeft de middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is geen nadere motivering vereist, omdat de middelen niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarom heeft de Hoge Raad het beroep verworpen. Het arrest is gewezen door raadsheer J. de Hullu als voorzitter, en raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, en uitgesproken tijdens de openbare terechtzitting op 4 februari 2014.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen.