Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het derde middel
6.Beslissing
4 februari 2014.
Hoge Raad
In deze strafzaak betrof het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake belastingfraude door het niet doen of onjuist doen van aangiften inkomstenbelasting over meerdere jaren.
De Hoge Raad herhaalt dat het niet doen van aangifte en het onjuist doen van aangifte strafbare feiten zijn die hetzelfde rechtsgoed beschermen, namelijk een juiste belastingheffing. Het hof had de wijziging van de tenlastelegging toegelaten omdat het ging om hetzelfde feitencomplex, namelijk het oningevuld retourneren van aangiftebiljetten met een begeleidend schrijven. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk.
Verder constateert de Hoge Raad dat de bewezenverklaring ten aanzien van de aangifte over 2002 een kennelijke misslag bevatte omdat niet vaststond dat de verdachte een uitnodiging tot aangifte had ontvangen. Deze misslag wordt hersteld zonder dat de aard en ernst van het bewezenverklaarde worden aangetast.
Ten slotte oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro is overschreden doordat de stukken te laat door het hof werden ingezonden, wat leidt tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht maanden naar zeven maanden en drie weken, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zeven maanden en drie weken, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.