Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, waarin het hoger beroep van belanghebbende tegen een beschikking van de Rechtbank te Breda werd behandeld. De beschikking betrof een besluit op grond van artikel 8a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.
De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en een conclusie van repliek van belanghebbende. Na beoordeling van de aangevoerde klachten oordeelde de Hoge Raad dat deze niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was geen nadere motivering vereist, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het cassatieberoep van belanghebbende ongegrond. Hiermee werd het arrest van het gerechtshof bekrachtigd en bleef de beschikking ongewijzigd.