Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
11 juli 2014.
Hoge Raad
In deze zaak stond een vordering tot herroeping van eerdere uitspraken wegens vermeend bedrog centraal. De eiser had beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 juni 2013, waarin zijn vordering was afgewezen. Tevens waren er klachten gericht tegen de afwijzing van een verzoek tot aanvulling van het proces-verbaal en het recht op pleidooi.
De Hoge Raad verwijst naar de arresten van het hof van 19 maart 2013 en 18 juni 2013, die aan het arrest zijn gehecht en integraal onderdeel uitmaken van de beoordeling. De conclusie van de Advocaat-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de advocaat van de eiser reageerde.
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat nadere motivering niet nodig is, aangezien de klachten geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling opleveren. Het cassatieberoep wordt derhalve verworpen en de eiser wordt in de kosten van het cassatiegeding veroordeeld, die aan de zijde van de verweerder op nihil zijn begroot.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.