Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
8 juli 2014.
Hoge Raad
In deze zaak werd verdachte in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen schriftuur met grieven had ingediend en ook niet mondeling bezwaar maakte tijdens de terechtzitting. Het hof verleende verstek tegen verdachte en besloot het onderzoek te sluiten, waarna het direct uitspraak deed.
De Hoge Raad onderzocht of het hof terecht had geoordeeld dat in eerste aanleg aan de vereisten van art. 41 en Pro 51 Sv was voldaan. Uit de processtukken bleek dat verdachte meerdere raadsheren had toegewezen gekregen en dat de dagvaarding correct was betekend aan de laatst toegevoegde raadsman.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat het middel faalde. Ook de stelling dat het hof art. 416, tweede lid, Sv niet had mogen toepassen omdat niet was onderzocht of de raadsman een afschrift van de dagvaarding had ontvangen, vond geen steun in het recht.
Het beroep werd derhalve verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in hoger beroep bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep blijft gehandhaafd.