Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
8 juli 2014.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 24 augustus 2012. Het hof had verdachte veroordeeld voor mishandeling door het losrukken van een persoon, waardoor deze ten val kwam en pijn leed, en voor vernieling van diverse goederen in een woning.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat het losrukken pijn zou veroorzaken, waardoor het opzet op mishandeling niet overtuigend was vastgesteld. Tevens was de bewezenverklaring omtrent het opzettelijk vernielen van goederen niet voldoende onderbouwd met bewijs en motivering.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest voor zover het de bewezenverklaringen en strafoplegging betrof en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. Het beroep van verdachte werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Arrest van het hof vernietigd voor bewezenverklaringen mishandeling en vernieling en zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.