Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
1 juli 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek van de veroordeelde om de behandeling van een vordering aan te houden teneinde nadere informatie in te winnen over de mogelijkheid van voorlopige invrijheidstelling in België. De Rechtbank Amsterdam had dit verzoek afgewezen omdat zij het doen inwinnen van deze informatie niet noodzakelijk achtte.
De veroordeelde was in België veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden voor deelneming aan een criminele organisatie. De raadsman van de veroordeelde stelde dat het Belgische recht twee systemen kent voor vervroegde invrijheidstelling: voorwaardelijke en voorlopige invrijheidstelling, waarbij de laatste minder strenge eisen kent en na het ondergaan van een derde van de straf kan worden toegekend. De rechtbank vond echter dat de mededeling dat de veroordeelde pas na tweederde van de straf in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling juist was en dat er geen aanwijzingen waren dat voorlopige invrijheidstelling mogelijk was.
De Hoge Raad bevestigt dat de maatstaf voor het verzoek om aanhouding van de behandeling is of de noodzaak van het verzoek is gebleken. Gezien de overwegingen van de rechtbank dat het inwinnen van nadere informatie niet noodzakelijk is, faalt het middel. Het beroep wordt verworpen en de afwijzing van het verzoek gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep wordt verworpen en het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de vordering wordt afgewezen.