Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beslissing
1 juli 2014.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de vermelding van het kantooradres van de raadsman in een schriftelijke volmacht kan worden aangemerkt als een adres van de verdachte in de zin van artikel 588a, eerste lid, onderdeel c, Sv, waar mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. De verdachte was niet verschenen, waarna het hof verstek verleende.
De raadsman had namens de verdachte een brief gestuurd waarin hij zijn kantooradres vermeldde en verzocht om de oproeping aan dat adres te verzenden. De Hoge Raad overwoog dat deze vermelding niet kan worden opgevat als het opgeven van een adres van de verdachte zelf voor ontvangst van processtukken, mede omdat de brief niet voldeed aan de vereisten van artikel 450 Sv Pro omtrent instemming van de verdachte met ontvangst door de griffiemedewerker.
De Hoge Raad concludeerde dat het oordeel van het hof dat het kantooradres van de raadsman niet als adres van de verdachte geldt, geen onjuiste rechtsopvatting bevat en niet onbegrijpelijk is. Het beroep van de verdachte werd verworpen en het verstek bleef gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verstek blijft gehandhaafd.