Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
27 juni 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot opheffing van een onderbewindstelling, waarbij de verzoeker in cassatie is gegaan tegen een beschikking van het gerechtshof Den Haag. De Hoge Raad verwijst naar eerdere beslissingen van de kantonrechter en het hof en behandelt het cassatieberoep op ontvankelijkheid.
De Procureur-Generaal heeft geadviseerd het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO), omdat de verzoeker onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep en de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad volgt dit advies en verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De beslissing is genomen door een meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken door raadsheer G. de Groot.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en gebrek aan kans op slagen.