Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
27 juni 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de vaststelling van de draagkracht van de man voor de betaling van kinderalimentatie aan zijn ex-partner en kinderen. De vrouw c.s. vorderden een verhoging van de alimentatiebedragen voor vier kinderen, waarbij de man onder meer zijn woonlasten opvoerde. Het hof Arnhem-Leeuwarden had bij zijn beslissing rekening gehouden met de helft van de totale woonlasten van de man en zijn nieuwe partner, ondanks dat de man had aangevoerd niet met haar samen te wonen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door woonlasten van de nieuwe partner mee te nemen zonder dat de man dit als draagkrachtvermindering had aangevoerd. Tevens had het hof niet in het midden mogen laten of de man en zijn nieuwe partner samenwonen, aangezien dit onderwerp van debat was tussen partijen. Daarnaast is de motivering van het hof onbegrijpelijk en niet verenigbaar met andere overwegingen in het arrest.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden en verwijst de zaak naar het hof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing. De uitspraak benadrukt de grenzen van de rechtsstrijd en de noodzaak van een begrijpelijke motivering bij draagkrachtberekeningen in alimentatiezaken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling naar het hof ’s-Hertogenbosch.