ECLI:NL:HR:2014:1534

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juni 2014
Publicatiedatum
26 juni 2014
Zaaknummer
13/03017
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 7:960 BWArt. 7:944 BW
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep in cassatie inzake verzekeringsrecht en brandschade boerderij

In deze zaak stond de vraag centraal of de verzekeraar aansprakelijk was voor brandschade aan een boerderij waarvoor reeds een sloopvergunning was aangevraagd. Eiser, handelend onder de naam A, vorderde vergoeding van de schade. De rechtbank Arnhem heeft in meerdere vonnissen uitspraak gedaan, waarna het gerechtshof Arnhem het geschil heeft behandeld en een arrest heeft gewezen dat aan het arrest van de Hoge Raad is gehecht.

Eiser stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof, waarbij hij zich beroept op het verzekeringsrecht en het indemniteitsbeginsel zoals neergelegd in artikel 7:960 en Pro 7:944 BW. Verweerster heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Advocaat-Generaal heeft eveneens voorgesteld het beroep te verwerpen.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van eiser niet leiden tot cassatie, mede omdat er geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling zijn. Het beroep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding. De uitspraak bevestigt daarmee de eerdere beslissingen van lagere instanties en sluit het geschil af.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

27 juni 2014
Eerste Kamer
nr. 13/03017
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser], handelende onder de naam [A],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. M.L. Kleyn,
t e g e n
[verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. D.M. de Knijff.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 162795/HA ZA 07-1826 van de rechtbank Arnhem van 23 januari 2008, 28 mei 2008, 18 maart 2009, 14 oktober 2009, 31 maart 2010 en 26 januari 2011;
b. het arrest in de zaak 200.086.527 van het gerechtshof te Arnhem van 16 oktober 2012.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 7 mei 2014 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 6.275,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
27 juni 2014.