Belanghebbende, bestuurder van een Nederlandse vennootschap, ontving in 2007 en 2008 drie termijnen als vergoeding in verband met de beëindiging van zijn dienstbetrekking en het nalaten van werkzaamheden daarna. Hij was in juli 2007 verhuisd naar de Verenigde Arabische Emiraten, een land zonder belastingverdrag met Nederland.
De kern van het geschil betrof de vraag of de in december 2007 betaalde tweede termijn als belastbaar loon in Nederland moest worden aangemerkt. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat alle drie de termijnen voortvloeien uit de Nederlandse dienstbetrekking en daarom in Nederland belastbaar zijn, ongeacht het feit dat de betaling ook betrekking had op het nalaten van werkzaamheden.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van belanghebbende. Volgens de Hoge Raad staat de toepassing van artikel 7.2, lid 2, letter b, Wet IB 2001 niet in de weg dat er geen daadwerkelijke werkzaamheden in Nederland tegenover de betaling staan. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.