ECLI:NL:HR:2014:1401

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juni 2014
Publicatiedatum
13 juni 2014
Zaaknummer
11/01104
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 407 lid 2 RvArt. 7A:1623k BW
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling cassatieverzoek inzake verhuur bedrijfsruimte met onzelfstandige woonruimte en bescherming huurder

In deze zaak stond centraal de vraag of bij verhuur van bedrijfsruimte met onzelfstandige woonruimte aanspraak kan worden gemaakt op bescherming krachtens het oude artikel 7A:1623k BW. De feiten en eerdere uitspraken van de kantonrechter en het gerechtshof Amsterdam zijn in het arrest van de Hoge Raad opgenomen.

Eiser stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof, waarbij tegen verweerders verstek was verleend. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het beroep, waarop de Hoge Raad het beroep heeft beoordeeld.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat deze geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Daarom werd het beroep verworpen en werd eiser veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, die nihil werden begroot.

Het arrest bevestigt de eerdere beslissingen en biedt geen aanleiding tot wijziging van de rechtspraak omtrent de bescherming van huurders bij verhuur van bedrijfsruimte met onzelfstandige woonruimte onder het oude recht.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.

Uitspraak

13 juni 2014
Eerste Kamer
nr. 11/01104
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. P. Garretsen, thans mr. M. de Boorder,
t e g e n
1. [verweerder 1],
2. [verweerster 2],
beiden wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder] c.s.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 403342/CV EXPL 08-13455 van de kantonrechter te Haarlem van 8 april 2009;
b. het arrest in de zaak 200.045.095/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 12 oktober 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] c.s. is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 24 april 2014 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
13 juni 2014.