Belanghebbende exploiteert een onroerende zaak als zorgboerderij met agrarische activiteiten, waaronder extensieve (pluim)veeteelt en het fokken van bijzondere dierenrassen. Minimaal 50% van de inkomsten wordt behaald uit agrarische activiteiten, de rest uit vergoedingen uit persoonsgebonden budgetten voor personen met een beperking die op de boerderij werken.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woudenberg stelde dat de cultuurgrondvrijstelling niet van toepassing was op de restgrond van de boerderij, omdat de exploitatie niet als bedrijfsmatig kon worden aangemerkt. Het hof oordeelde echter dat sprake was van een landbouwbedrijf met een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid en dat de restgrond dienstbaar is aan het landbouwbedrijf.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het middel van het college af. Het streven naar winst en het feit dat minimaal de helft van de netto winst uit (pluim)veehouderij komt, maken dat sprake is van bedrijfsmatige exploitatie. De aanwezigheid van inkomsten uit persoonsgebonden budgetten doet hieraan niet af. Het incidentele beroep van belanghebbende wordt eveneens ongegrond verklaard.
De Hoge Raad veroordeelt het college in de proceskosten en bevestigt dat de cultuurgrondvrijstelling van toepassing is op de restgrond van de zorgboerderij.