Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
10 juni 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage uit 2012. De Hoge Raad beoordeelt onder meer de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De advocaat-generaal concludeerde tot gedeeltelijke vernietiging van het arrest met strafvermindering.
De Hoge Raad oordeelt dat de middelen van cassatie niet leiden tot vernietiging behalve wat betreft de strafduur. Het middel dat klaagt over overschrijding van de redelijke termijn in cassatie wordt gegrond verklaard, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden en de Hoge Raad meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak doet.
Dit leidt tot vermindering van de gevangenisstraf met vijf maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rest van het beroep wordt verworpen. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend voor de strafduur en legt de aangepaste straf op.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vier maanden en drie weken, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, wegens overschrijding van de redelijke termijn.