Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
10 juni 2014.
Hoge Raad
De verdachte, geboren in 1961, stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 oktober 2012 in een strafzaak. Namens de verdachte diende mr. P.M. van Russen Groen middelen van cassatie in. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering was geen nadere motivering vereist, omdat de middelen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaakten.
Daarom werd het beroep verworpen. Het arrest werd gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, met raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 10 juni 2014.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen zonder nadere motivering.