Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
10 juni 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd verdacht van een overtreding van de Opiumwet waarbij in zijn onderbroek een etui met cocaïnebolletjes werd aangetroffen. Het Hof had geoordeeld dat het onderzoek waarbij de verbalisant met zijn hand in de onderbroek van de verdachte ging om het etui te pakken, kon worden aangemerkt als onderzoek aan de kleding en niet aan het lichaam. Dit oordeel was echter niet zonder meer begrijpelijk omdat het Hof onvoldoende had gemotiveerd op welke wijze het etui zichtbaar was en waarom het onderzoek niet op minder ingrijpende wijze kon plaatsvinden.
De verdediging voerde aan dat het onderzoek aan de onderbroek niet binnen de bevoegdheden van artikel 9 lid 2 Opiumwet Pro viel en dat er sprake was van een vormverzuim en schending van de verbaliseringsplicht. Het Hof verwierp dit verweer en bevestigde het vonnis van de rechtbank, waarbij het onderzoek als proportioneel werd beschouwd gezien de ernstige bezwaren tegen de verdachte.
De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het Hof over het onderzoek aan de kleding niet voldoende was gemotiveerd en dat het niet duidelijk was of het onderzoek proportioneel was. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest voor zover het betrekking had op het tenlastegelegde feit en de strafoplegging, en verwees de zaak terug naar het Hof voor hernieuwde berechting. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd voor het tenlastegelegde feit en de strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.