Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
10 juni 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor het opzettelijk voordeel trekken uit een bijstandsuitkering die door zijn partner onrechtmatig werd verkregen. Het hof had vastgesteld dat verdachte sinds de zomer van 2004 feitelijk samenwoonde met zijn partner op een adres in Almere en gebruik maakte van voorzieningen en goederen die deels werden bekostigd met de bijstandsuitkering van zijn partner.
De Hoge Raad oordeelt dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte wist dat zijn partner onjuiste gegevens verstrekte om een uitkering voor een alleenstaande te verkrijgen. Hoewel het hof aannam dat verdachte voordeel trok uit de misdrijf verkregen uitkering, ontbrak het bewijs voor het vereiste opzet van verdachte.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde behandeling en beslissing. De Hoge Raad bevestigt daarmee het belang van een slagende bewijsklacht omtrent het opzetvereiste bij bijstandsfraude.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende bewijs van opzet.