ECLI:NL:HR:2014:134

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 januari 2014
Publicatiedatum
21 januari 2014
Zaaknummer
11/04145
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt overschrijding redelijke termijn zonder gevolgen voor straf

De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden. In cassatie werd een middel voorgesteld, maar dit werd niet gegrond bevonden omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte.

De Hoge Raad beoordeelde ambtshalve dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Ondanks deze overschrijding zag de Hoge Raad geen aanleiding om hieraan rechtsgevolgen te verbinden, mede gelet op de relatief lichte straf.

Daarom volstond de Hoge Raad met de constatering van de termijnoverschrijding en verwierp het beroep van de verdachte. Het arrest werd uitgesproken door drie raadsheren onder voorzitterschap van H.A.G. Splinter-van Kan op 21 januari 2014.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en constateert de overschrijding van de redelijke termijn zonder gevolgen voor de straf.

Uitspraak

21 januari 2014
Strafkamer
nr. S 11/04145
SLU
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 augustus 2011, nummer 22/000993-10, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal N. Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar alleen ten aanzien van de straf, tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twee maanden en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer H.A.G. Splinter-van Kan als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 januari 2014.