Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
4.Beslissing
3 juni 2014.
Hoge Raad
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (OM) in een ontnemingsvordering centraal. De betrokkene stelde dat het OM niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens schending van het vertrouwensbeginsel, omdat de advocaat-generaal tijdens de strafzaak had medegeld dat er geen ontnemingsvordering zou worden ingesteld. Kort daarna werd deze mededeling echter door middel van een brief aan de raadsman van verdachte herroepen.
Het hof oordeelde dat er geen sprake was van een gerechtvaardigd vertrouwen dat het OM zou afzien van de ontnemingsvordering. Dit oordeel was gebaseerd op het feit dat er een proces-verbaal van strafrechtelijk financieel onderzoek was opgemaakt en aan betrokkene ter hand was gesteld, waarin een bedrag van ruim anderhalf miljoen euro aan wederrechtelijk verkregen voordeel werd genoemd. Tevens was betrokkene bij de strafzaak geïnformeerd over het voornemen van het OM om een ontnemingsvordering in te dienen.
De Hoge Raad onderschreef het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep van betrokkene. Ook de klacht over overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen, aangezien de zaak binnen een redelijke termijn werd afgedaan. Het arrest bevestigt dat een informatieve, niet-onvoorwaardelijke mededeling door een advocaat-generaal niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het OM wanneer er geen uitdrukkelijke toezegging is gedaan.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering.