Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
21 januari 2014.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Echter heeft de verdachte geen middelen van cassatie door een raadsman binnen de wettelijk gestelde termijn ingediend, zoals vereist op grond van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Hoge Raad volgt dit advies en oordeelt dat het ontbreken van de schriftuur houdende middelen van cassatie betekent dat het beroep niet ontvankelijk is.
De Hoge Raad verklaart daarom het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk en bevestigt hiermee de formele vereisten voor cassatieberoepen. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting op 21 januari 2014.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.