ECLI:NL:HR:2014:1242

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 mei 2014
Publicatiedatum
27 mei 2014
Zaaknummer
12/05807
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 SrArt. 361 SvArt. 9a Sr
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring vervolging wegens overlijden verdachte en gevolgen voor benadeelde partij

In deze zaak stond het beroep van de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam centraal. De verdachte was overleden op 15 juni 2013, waardoor op grond van artikel 69 Sr Pro het recht tot strafvordering verviel. Dit leidde ertoe dat de Hoge Raad de officier van justitie ambtshalve niet-ontvankelijk verklaarde in de vervolging.

Daarnaast behandelde de Hoge Raad de gevolgen van het overlijden van de verdachte voor de benadeelde partij die een vordering tot schadevergoeding had ingesteld. Op grond van artikel 361, tweede lid, Sv is de benadeelde partij alleen ontvankelijk in haar vordering indien de verdachte een straf of maatregel wordt opgelegd of artikel 9a Sr wordt toegepast. Door de niet-ontvankelijkverklaring van de vervolging vervalt daarmee ook de ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering, voor zover er nog geen onherroepelijke beslissing is genomen.

De Hoge Raad vernietigde de bestreden uitspraken van het Gerechtshof en de Rechtbank Amsterdam en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging. Hiermee werd tevens bevestigd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding.

Deze uitspraak verduidelijkt de procedurele consequenties van het overlijden van een verdachte voor zowel de strafvervolging als de civiele vorderingen van benadeelden binnen het strafproces.

Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens overlijden van de verdachte, waardoor ook de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding.

Uitspraak

27 mei 2014
Strafkamer
nr. 12/05807
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 16 augustus 2012, nummer 21/000796-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.P. Hein, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, behalve voor zover daarbij het vonnis van de Rechtbank is vernietigd, tot vernietiging van het vonnis van de Rechtbank voor het overige, tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in de vervolging en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [A] in haar vordering tot schadevergoeding.

2.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

2.1.
Blijkens een aan de Hoge Raad overgelegd, door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam gewaarmerkt afschrift van een akte van de burgerlijke stand van die gemeente is de verdachte op 15 juni 2013 aldaar overleden. Daarom is volgens art. 69 Sr Pro in deze zaak het recht tot strafvordering vervallen. Dat brengt mee dat de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.
2.2.1.
De Hoge Raad voegt hieraan met het oog op de vordering van de benadeelde partij het volgende toe.
2.2.2.
Art. 361, tweede lid, Sv luidt:
"De benadeelde partij zal alleen ontvankelijk zijn in haar vordering indien:
a. de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, dan wel in geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en
b. aan haar rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit of door een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank wordt gebracht, en waarmee door de rechtbank bij de strafoplegging rekening is gehouden."
2.2.3.
Ingevolge art. 361, tweede lid aanhef en onder a, Sv is de benadeelde partij alleen ontvankelijk in haar vordering indien de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd dan wel art. 9a Sr wordt toegepast. Hieruit volgt dat in geval van een uit art. 69 Sr Pro voortvloeiende niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging, de benadeelde partij van rechtswege niet-ontvankelijk is in haar vordering tot vergoeding van de in art. 361, tweede lid aanhef en onder b, Sv bedoelde schade, voor zover een eerdere beslissing daarover nog niet onherroepelijk is geworden.

3.Slotsom

Uit het voorgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, en de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam;
verklaart de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk in de vervolging.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
27 mei 2014.